Geschiedenis / Museum

Naaimachine museum: de geschiedenis van de naaimachines.
Bekijk hier het onstaan en de historie van de naaimachine. Ook vindt u hier vele foto's van oude hand-naaimachines, en trap-naaimachines , oftwel trapmachines. 

geschiedenis

Naaimachine Museum

Rond 1700: de Renaissance. Kleding met toeters en bellen. In die tijd werd nog alles met de hand
gemaakt. Als er ergens behoefte aan was, was het wel de naaimachine.
De Duitser Weisenthal, die in 1755 in Engeland woonde, vond een naald uit, welke aan beide zijden een spitse punt had met het draadgat in het midden. Anderen, zoals Madersperger en Greenhough, gebruikten deze naald ook. Men vindt ze nu nog in de borduurindustrie.
In 1790 dient de Engelse meubelmaker Thomas Saint een aanvraag in voor een patent op een houten naaimachine, waarmee de kettingsteek gemaakt kon worden. Thomas Saint wordt gezien als de uitvinder van de naaiende machine. Zijn kettingsteekmachine was bedoeld voor het gebruik in werkplaatsen voor het maken van schoenen en laarzen, het zwaardere werk dus.
1800: Balthazar Krems uit Mayen in Duitsland, fabrikant van slaapmutsen vond de rekbare kettingsteek uit. Hij gebruikte als eerste een naald met het oog aan de punt. Hij verkreeg als eerste het resultaat waarbij de steeklus aan de onderzijde van het naaigoed kwam te liggen.
1814: De meester-kleermaker Jozef Madersperger uit Kufstein, Oostenrijk, construeert een tweenaalds-naaimachine om dekens mee te stikken. Daar het hem, zoals men dat noemde, aan geldelijke middelen ontbrak, kon hij deze machine niet in productie brengen. Hij stierf in 1850, op 82-jarige leeftijd in Wenen in een bejaardentehuis voor hulpbehoevenden

De Fransman Bartélémy Thimonnier uit Arbeste in het Franse Rhone-departement kreeg in 1830 een brevet (een soort patent) op zijn kettingsteekmachine. Doch een onwetende en woedende menigte kleermakers, die in zijn machine een bedreiging zagen voor hun beroep, vernielde de meeste van zijn machines. Thimonnier vluchtte en kwam deze noodlottige slag nooit meer te boven. Als arme show-directeur trad hij later op in een circus, om zijn machine als een mechanische curiositeit te tonen. Hij stierf volledig berooid in 1857. Bij deze Thimonnier-machine moest, om te kunnen naaien, elke steek door neertrappen van het pedaal gevormd worden. De lussen van de kettingsteek lagen bovenop de stof. De naaister moest er zelf voor zorgen dat de stof, na elke steek, zijdelings verder geschoven werd om gelijke, lange steken te verkrijgen.
1834: Walter Hunt, een typisch self-made man (hij ontwierp onder meer de eerste veiligheidsspeld en de eerste vulpen), werd tussen 1832 en 1839 bijzonder geïnteresseerd door de naaimachine. Hij slaagde erin, door middel van een schietspoel, voor de eerste keer de hedendaagse gebruikelijke stiksteek te vormen. Hij is de grondlegger van het naaiprincipe, waarbij 2 draden worden gebruik, een onder- en een bovendraad.
1845: De Amerikaan Elias Howe, uit Spencer (Massachussetts) bouwde eveneens als één der eersten een machine waarbij de tweede draad een heen en weer gaande beweging in de spoel uitvoert (schuitspoel). Het is heel waarschijnlijk dat de spoel van de weefmachines de Amerikaanse werktuigkundigen heeft geïnspireerd. Howe's succes hing jarenlang aan de beruchte zijden draad. Toen hij, in 1845, van zijn vriend en financier Fisher, op zijn pasgebouwde langspoelmachine het eerste met een dubbele stiksteek genaaide kledingstuk naaide, geloofde hij zijn doel te hebben bereikt. Intussen waren ook andere Amerikanen bezig geweest met het perfectioneren van de naaimachine. Zijn voornaamste mededinger, Isaac Merrit Singer, construeerde een gelijkwaardige machine, natuurlijk kwam het tot een monsterproces voor prioriteitsrecht. Na lang procederen won Howe het pleit. Het materiele succes lachte hem toe, in zulke mate dat hij voor rechten op zijn brevet zomaar 2 miljoen dollars ontving. Met eigen middelen rustte hij tijdens de Amerikaanse burgeroorlog een hele militaire brigade uit. Hij stierf op 48 jarige leeftijd in 1867
1850: Een brevet wordt verleend aan Wheeler & Wilson, uit Bridgeport (Connecticut) in de Verenigde Staten. Allen B. Wilson bouwde de eerste naaimachine met ronddraaiende grijper. Deze is uitgerust met een brilspoel. Wilson gebruikte als eerste een grijper welke de bovendraad rond een stilstaande spoel trok. Deze spoel werd door een ringvormige houder, 'bril' genoemd, in haar centraalstelling geleid. De Wheeler & Wilson Company werd zeer toonaangevend op naaimachinegebied, maar was financieel niet sterk genoeg om de snelle evolutie te benutten. Zij werd opgekocht door Singer Company. Isaac Merrit Singer, een voormalig circusdirecteur komt de grote verdienste toe de naaimachine als gebruiksartikel bij het grote publiek te hebben ingevoerd. Hij is de grote uitbouwer van de Amerikaanse naaimachine industrie.
De eerste door Isaac Merrit Singer gemaakte naaimachine. Gepatenteerd in 1851.
Deze naaimachine was verpakt in een houten doos, die bij het openen als trapmachine gebruikt kon worden. Singer realiseerde zich niet dat hij deze trede kon patenteren. Toen hij hier op gewezen werd was het al te laat, de trede was al in publiekelijk gebruik genomen. Deze machine was erg zwaar en meer geschikt voor industrie dan huishoudelijk gebruik.
1851-1860: Ontstaan van een nieuwe generatie naaimachines.
De Duitse namen als Koch, Gritzner, Pfaff, Kayser, Muller, Mundlos, Durkopp, Biesolt, Locke, Nothmann, Bear en Rempel, waren toen wereldbekend. Alleen Pfaff is hiervan overgebleven. De grondslag van de Pfaffindustrie werd gelegd door Georg Michael Pfaff.
Een kleine kettingsteekmachine uit 1855 van de Firma Seeling uit Parijs. Elagant maar nog geen gesloten vorm. De garenklos bevindt zich op de naaldstanggeleider.
Het verhaal van de uitvinding van dit populaire type kettingsteekmachine is opmerkelijk. In 1855 zag James Gibbs, een boer uit Virginia (Amerika), een houten Grover en Baker machine in een krantenadvertentie en verbaasde zich erover hoe het apparaat kon naaien. Het mechanisme aan de onderkant van de machine was niet zichtbaar, waardoor het niet bij Gibbs opkwam dat er een onderdraad gebuikt werd. Hij bedacht het idee van een roterende grijper, maar ontwikkelde het niet direct verder. Gibbs produceerde later samen met Charles Willcox een naaimachine die het principe had van zijn eerder ontwikkelde roterende grijper, welke hij patenteerde in 1857. Het bedrijf bestaat nog steeds maar maakt alleen nog industriële machines.
1855: Wheeler & Wilson stellen hun machines met transport van de stof voor op de Universele tentoonstelling van Parijs.
1858: In Amerika zijn reeds meer dan 100.000 naaimachines in bedrijf en overal beginnen ondernemende werktuigkundigen zich voor naaimachines te interesseren en later te vervaardigen. De afgebeelde machine maakt een kettingsteek.
1860: In Frankrijk wordt deze sierlijke machine geconstrueerd (voorzien van een vrije arm).
Een verbeterd model van Howe uit 1860. Kenmerken: een loodrechte naaldinsteek, een rechte naald, grote lange spoel en een vliegwiel onderaan.
De originele Singer machine was oncomfortabel zwaar en bedoeld voor industrieel gebruik, maar in 1858 bracht Singer een lichtgewicht Family Machine op de markt en in 1865 de aanvullende New Family Machine. Deze machine werd ongeveer 20 jaar gevoerd en meer dan 4 miljoen machines werden geproduceerd. Over het algemeen kwam deze machine overeen met de machines die vroeg in de 20e eeuw geproduceerd werden.
1867: Een kleine machine die opvallend veel op een kindermachine lijkt. Deze machine werd geproduceerd door de Firma Wanzer en Co uit Hammilton uit Canada en heeft een slingerende spoel.
1870: Steeds meer machines worden geproduceerd met een spoel, zoals deze machine die in Rouen werd vervaardigd.
1870: Ook deze machine werkt met een kettingsteek. De snelheid die steeds belangrijker werd was voor deze machine 200 steken per minuut.
1878: De kleine 'Legat' uit Parijs. Een model met slingerende spoel, dat door drukken op de knop in beweging wordt gebracht. Horizontaal slingerende spoel.
1879: William Jones uit Guide Bridge, Lancashire nam voor het eerst een naaimachinepatent in 1869 en richtte een bedrijf op dat nog steeds naaimachines vervaardigd. Dit type handmachine was in productie van 1879 tot 1909. Deze machine werd vervaardigd voor de export naar tropische landen. De niet geschilderde onderdelen werden verchroomd ter voorkoming van roestvorming en werd geleverd met een stalen koffer.
1880: De 'Original Rhemania' van de Firma Junker & Ruh. Een echte Duitse constructrie: massief en zwaar van bouw. Lange slingerende spoel. Het bovendeel kan naar achteren worden omgekanteld. Aandrijving gebeurt door middel van het grote handwiel.
1882: Het jaar van de zig-zagmachine.
De eerste bruikbare zig-zagmachine ter wereld verschijnt. De Duitser, John Kayser, uit Kaiserslautern, brengt deze op de markt. Kayser had de kopplaat in tweeën gesplitst en het met de naaldstanggeleiding verbonden deel parallel verschuifbaar aangekoppeld. Met de zigzag-instelhevel kan een grotere of kleinere zigzagsteek worden ingesteld. Toen reeds had de naaldplaat een langwerpig gat, zoals het nu bij de moderne zigzagmachines het geval is.
Deze naaimachine was vervaardigd in 1888 en is het laatste type gemaakt door de Howe Machine Company, die na de dood van Elias Howe in 1867 werd gevoerd door zijn schoonzoons. Hoewel Howe een patent had op zijn fabricagewijze voor naaimachines vanaf 1850, produceerde hij zelf niet voor 1865. Ondertussen produceerde zijn broer Amasa vanaf 1854 naaimachines onder de naam van de Home Sewing Machine Company.
1900-1940: Een periode zonder noemenswaardige ontwikkelingen. Naast de naaimachine met de schuitspoel is de machine met de ringspoel (ronde spoel) zeer populair geworden. De modellen zijn in deze periode nagenoeg niet veranderd en alle machines waren en bleven zwart van kleur met ornamenten in zwart en zilver en vaak met perlemoer ingelegd.
Wel nieuw was de introductie van de Pfaff 130 zig-zag naaimachine met roterende grijper, ontworpen door een Nederlandse ingenieur. Bijzonder geschikt voor kleermakers en thuiswerkers.
Tot plusminus 1950 zijn van dit type honderdduizenden exemplaren geproduceerd. Heden ten dage is deze machine nog zeer gewild in landen als bijvoorbeeld Pakistan en India waar deze voor deze voor de thuis-industrie worden gebruikt.
1940: De naaimachines die tot 1940 op de markt zijn gebracht waren vervaardigd van gietijzer, dus waren zwaar in gewicht, hadden een zwarte kleur, waren in z.g. vlakke uitvoering en werden door hand of trapbeweging aangedreven.
In 1940 volgt er een ommezwaai in de naaimachinebranche. Dan komt in 1940 de Elna-I uit. Doordat de uitvinder-constructuur, (ir. Ramond de Casas, van oorsprong Spanjaard die later is uitgeweken naar Zwitserland) zich tot op dat moment nooit had bezig gehouden met naaimachines, en dus niet in bepaalde principes was vastgeroest, week deze huishoudnaaimachine geheel af van de tot dan gebruikelijke typen, nl:
  • de machine was vervaardigd van licht metaal en was daardoor werkelijk draagbaar
  • omdat het machinehuis uit lichtmetaal was vervaardigd, werd het gehele mechanisme hieraan aangepast en was de machine volledig in balans
  • in tegenstelling tot de tot dusverre gebruikelijke zwarte kleur, werd deze machine in een moderne groene kleur uitgebracht
  • bij de constructie had de uitvinder tevens gestreefd naar eenvoud in de bediening
  • de aandrijving geschiedde electrisch d.m.v. een ingebouwde motor
  • de machine was uitgerust met ingebouwd naailicht
  • de machine was voorzien van een vrije arm (tot dan alleen maar bekend bij de industrie naaimachines)
  • de machine was verpakt in een metalen koffer, die tevens dienst kon doen als ruime werktafel rond de vrije arm
Dit alles bracht een ommekeer teweeg op het gebied van de huishoudnaaimachine. Door het grote succes, dat deze Elna overal ter wereld ondervond, werden andere merken machines min of meer gedwongen de door Elna ingeslagen weg te volgen.
In 1952 bracht Elna een tweede omwenteling op naaimachinegebied teweeg, en wel door het uitkomen van de Elna Supermatic. Met deze machine, die werkt d.m.v. losse verwisselbare sjablonen, was het mogelijk de links-rechts beweging van de naald te doen onderverdelen in steken. Hierdoor werd het mogelijk siersteken te vervaardigen, op basis van zigzag. Dit zijn vooral practische steken zoals de stikkende zigzag, de slangenlijn, de blindzoom, etc.
Maar niet alleen dit! Doordat het eveneens mogelijk was om via 'dubbele' sjablonen het voor- en achteruit transporteren van de stof automatisch te regelen werd het mogelijk ieder gewenst motief te verkrijgen. Ook vooral weer practische steken, zoals de huishoudoverlock, de super tricotsteek, de rekbare drievoudige versterkte naad, etc.
De basis van deze machines vinden wij nog steeds in de nieuwste machines terug, met dien verstande dat deze momenteel veelal computergestuurd zijn.